De Primavera van Wielerhelden

24-03-2016

Aan zijn neus hangt een doorzichtig belletje snot.

“Ik heb zware benen vandaag. Ik moet peddelen van hem. Ronddraaien. Van Harm.”

Hij fietst zonder helm.

“Harm heeft talent. Ik niet. Nooit gehad. Maar karakter. Dat heb ik wel.”

Twee dagen later, zaterdag 19 maart, als we met Peloton Katendrecht door de Zuid-Hollandse polders trekken om de Primavera, de lenteklassieker Milaan-San Remo te eren, denk ik aan de 72 jarige Aad Vingerling, geboren in Simonshaven op 8 juli 1943, als ik naast zijn fiets- en trainingsmaat Harm Ottenbros rijd.

“Heb je ook gekoerst?”, vraagt Harm (ik noem hem mijnheer Ottenbros) mij.

De leugen (op gespeeld bescheiden toon: “ja nou….drie jaar bij de beloften …toen een paar jaartjes bij een klein Frans profploegje uit de Auvergne gekoerst, mijn moeder komt uit Frankrijk ziet u, maar toen ik op het punt stond een profcontract te tekenen bij Cofidis, gooide een valpartij tijdens een massaspurt in Clermont-Ferrand roet in het eten…”) ligt op mijn tong en tart mijn geweten. Alleen dat van mijn moeder is waar.

Maar tegen een wereldkampioen lieg je niet.

“Nee mijnheer Ottenbros, ik heb gevoetbald tot mijn zestiende”, antwoord ik maar naar waarheid, “maar daarna trouw gefietst”.

Ik voel een lichte schaamte voor mijn voetbalverleden omdat ik zo-even nog de complete Nederlandse voetballerij afbrandde om maar duidelijk te maken te maken dat ik één van het wielergilde was. Ben. Wil zijn.

“Waar en hoe werd u wereldkampioen?

“In Zolder. Ik won de sprint van Stevens, een Belg. Zeg je dat wat?”

“Ik ben geboren in 1969, mijnheer Ottenbros. Ik droeg toen nog een vinnetje.”

Zeer terecht lacht mijnheer Ottenbros niet om mijn grap uit respect voor het hom van mijn vader, zijn generatiegenoot.

“Ik had eerder dat jaar nog twee etappes gewonnen in de Ronde van Zwitserland.“

Ik kijk ondertussen naar zijn verrassend soepele trapcadans. Ik snapte precies wat Aad Vingerling, voor mij Mijnheer Vingerling, bedoelde: talentvolle renners rijden op souplesse. Bij de talentloze is er altijd wel íets van het lichaam dat tegenstribbelt. De onderrug. De schouders. De reet.

“Ah, u kon dus klimmen?

Dezelfde vraag stelde ik zojuist aan de 74-jarige Arie den Hartog. Hij won 51 jaar geleden Milaan-San Remo, in 1965, het geboortejaar van mijn broer. Mijnheer den Hartog antwoordde op die typische bescheiden wijze die wielrenners zo kenmerkt:

“Ach ik kwam redelijk mee. In de Ronde van Zwitserland won ik het bergklassement nog vóór jongens als Bahamantes en Aimar….”

Ik hoor Dave achter me lachen. Dit is de lach van een liefhebber die eventjes géén directeur van de Ronde van Katendrecht is. Hij geniet en ik geniet in zijn slagschaduw mee.

Verdomd, ik rijd op kop. Vijftig man achter m’n reet. Ik voel een plotselinge verwantschap met Gert Jakobs, de meesterknecht die ik twee dagen geleden nog uitgebreid sprak. Woorden als “koersen met het hart”, “ruggengraat”, “opoffering” en “verantwoordelijkheidsgevoel” vielen.

Als kopman voeg ik nu daad bij het woord, daar ben ik nu eenmaal Rotterdammer voor.

Vlak voor de Spijkenisserbrug steek ik met gevoel voor drama mijn linkerhand in de lucht. Met de wreef van mijn hand geef ik hoog en kalm de richting aan.

“Ha, hij leert het al”, grapt Hennie Kuiper achter mij.

Ik kan het amper geloven. Ik werd net al herkend door hem (we ontmoetten elkaar een ruime maand hiervóór in een trendy wielerwinkel in Amsterdam) en nu word ik direct aangesproken door hem:
Hennie Kuiper. Hennie Kuiper. Hennie Kuiper. Drie keer woordwaarde. Pak een Algemeen Fondskaart. Een vergissing van de bank in uw voordeel, u ontvangt een compliment.

Koppie erbij houden nu Hendriks!

Goed.

OK.

Al ben ik nu zo blij als een kind, hoe vaak rijd je náást (mijnheer Ottenbros) en vóór (ik twijfel tussen Hennie en mijnheer Kuiper) een wereldkampioen, ik kan met mijn vreugde geen kant op. Het is onmogelijk om Hennie Kuiper duidelijk te maken in welke mate hij mij geïnspireerd heeft. Gevormd heeft. Gestuurd heeft.

Taaier dan Joop en Hennie maakt de Schepper ze niet meer. Nooit meer.

Ik mag me graag aan hen spiegelen. Mijnheer Vingerling ook, zij het hoogstwaarschijnlijk met aanzienlijk minder pretenties. Ik mis hem, Aad Vingerling. Hij woont thans in ’s-Gravendeel. Hij praatte eergisteren tijdens het fietsen honderduit. Over zijn jeugd. De oorlogsjaren. Zijn liefde voor de koers. Hij rijdt vandaag een 68+ veteranenkoers in Amersfoort. Sportpark Zielhorst. Aanvang 11:00u.

We rijden Zuidland, het geboortedorp van Arie den Hartog, in. Hier zag hij op 23 april 1941 het levenslicht. Hij is daarmee precies één maand en één volle dag ouder dan Bob Dylan. En wijzer.

Zijn familie en vrienden hebben een erehaag voor hem gevormd. Door het applaus heen en in de verte horen wij een akoestische jazzgitaar en de melancholische grotestadsklanken uit een altsaxofoon.
Op het muziekpodium in de pittoreske dorpskern van Zuidland wordt het Peloton Katendrecht verwelkomd door niemand minder dan meestergitarist Cok van Vuuren, de Ry Cooder van Schiedam, en de Londense jazzlegende Benjamin Herman.

Hennie Kuiper waagt zich, op weg naar het podium, aan een kwiek dansje op zijn wielerschoentjes. Arie den Hartog laat zich uitgebreid omhelzen door zijn familieleden en fans.

“Mooi hè dit. Cultuur en wielrennen. Dit onderscheidt de Ronde van Katendrecht toch écht van alle andere tochten. Toch?”

Ik stel deze retorische vraag aan de breed lachende Dave de Held, bestuurslid van de Ronde.

We zijn alweer onderweg.

“Gek word ik van die Andriese. Heb je hem wel eens horen briesen…als-ie achter leg?”, zo klinkt het in plat Rotterdams. Dit gezelschap uit Rotterdam-Zuid, stadsdeel Lombardijen, komt mij goed uit. Ik staar in de ogen van Pim Jacobs, een koersvriend van Dave. Hij praat en kijkt met de vrolijkheid van een poppenkastpop.

Dit is goed nieuws voor mijn treurige inborst die zich vooral manifesteert als ik mezelf renner waan.

Ik kan zo naast Pim eventjes mezelf zijn. Fietsen tussen retrohelden heeft zo zijn beperkingen: je durft niet vrijuit te praten uit angst voor een blunder van historische omvang (je raakt per ongeluk het racestuur van mijnheer Ottenbros die valt en daarna vloekend zweert nóóit meer op een fiets te stappen).

“Ja dat ken ik van Dave. Aardige gozer, op zich niks mee. Maar zojuist na Zuidland moesten we alle twee pissen en Dave bracht me daarna effe terug. Jezus wat ken die vent koersen…”

In het wiel van de krom geboden Dave proefde ik voor het eerst het uiteinde van mijn luchtpijp.

“Ja dat ken ik van hem!”, lacht Pim…”dat pissen én dat koersen….dan gaat-ie briesen….wat zeg ik blaten! Als een schaap hahaha!”

Op hetzelfde moment passeert het Peloton Katendrecht een weiland. In het talud van de weg sprint een vol gemest schaap met de groep mee. Een enorme kluwe donkerbruin wol op vier korte pootjes. Geen gezicht want het beest rent op topsnelheid.

“Dat deed-ie donderdag ook, toen we deze route verkenden. Ik reed hier onder andere met Aad Vingerling. Moet je opletten wat er nu gebeurt…..”

En verdomd, het gebeurt weer. Aan het eind van zijn speel- en vreetweide springt het maffe beest óver het hek met prikkeldraad heen. Eergisteren wilde Dave het beest nog vangen en hem met een paar man terug zetten in zijn wei. Mooi niet. Voor geen goud dat ik een schaap til. Dan moet ik drie dagen in therapie. Ik ben als de dood voor dieren. Van ieder soort, type, ras. Ik wil ze gebakken. Op mijn bord. Allemaal.

Een klein uurtje later stoppen we bij de Oude Maas voor een tweede cultureel intermezzo. Precies déze plek was dertig jaar geleden het decor van de eerste spijbeluurtjes van school voor mijn broer en mij. We togen op zijn blauwe Vespa naar de oevers van de Oude Maas, rookten sigaretten, dronken blikjes bier en luisterden naar een cassettebandje van de Rolling Stones’ Love You Live (“et maintenant, Keith Richards va chanter…”).

Ik moet ervoor waken dat de heren Ottenbros, den Hartog en Kuiper dit ooit te weten komen. Dit verhaal mogen zij beslist niet onder ogen komen.

Dat van schrijver Alex van der Hulst wel. Hij leest voor uit eigen werk. Zijn verhaal (over de rampzalige vernedering voor mannen om door vrouwen op een racefiets te worden ingehaald) blijkt een spiegel van herkenbaarheid voor de vijftig renners die lachend met hem meeknikken.

We zijn weer terug op het honk.

“Hoe vond je het?”, vraagt Rob van der Valk, eigenaar van het gelijknamige hotel te Ridderkerk. Hij voorziet de vraag van een klopje op mijn rug.

“Geweldig mijnheer Van der Valk, echt top!”

“Zeg maar Rob.”

Dat rijmt, maar dat zeg ik niet.

Ik zeg niets.

De TV staat aan. De renners zitten in fauteuils en hoge stoelen rondom het grote scherm om de finale van Milaan-San Remo te kijken. Er wordt, van de nieuwe sponsor, Kwaremont bier gedronken. Er klinkt gelach.

“Dit is toch niet gewoon….dat je met Hennie Kuiper zo’n Heinenoordtunnel in mag duiken en daarna mag beklimmen! Een genot! Zag je hoe hij nog klom? Zo mooi…”

De ogen van Ad van Werkhoven van 010Cycling sprankelen. Genot uit zich in traanvocht. Ad knapte de afgelopen maanden zijn eerste Ti-Raleigh racefiets uit 1978 eigenhandig op.

“Die krijgt een mooi plekkie in mijn nieuwe kantoorpand Spookrijder…”

Ad werd vandaag weer even een kind van eenenvijftig.

Dan wordt weer op mijn rug geslagen.

“Hey hallo!”

“Ah! Mijnheer Vingerling! Wat leuk dat u alsnog gekomen bent! Hoe is het gegaan in Amersfoort?”

“Derde jongen. Derde. Achter Piet Gruteke en Willem van Koetsveld. Op karakter!”

Ik feliciteer hem en omhels daarmee onbewust mijn nieuwe levensdoel: net als de wielerhelden Aad Vingerling, Arie den Hartog, Harm Ottenbros en Hennie Kuiper op respectabele leeftijd nog altijd je eigen Primavera overwinnen.


Marco-Hendriks
Marco Hendriks is een Rotterdamse Spookrijder, liefhebber van tegenwind, verslaafd aan pindakaas, de Koers, Feyenoord, muziek-met-een-randje en zijn vulpen. Vrouwengek maar gelukkig getrouwd. Notoire dwarsligger. Ongediplomeerd bruggenbouwer. Gejaagde alleswiller. Schaamteloos schrijver.

www.spookrijden.nu