Rotterdam is geen fietsstad

18-03-2016

Bart Toorenaar en Bonne de Roos zullen op deze plek met enige regelmaat een briefwisseling onderhouden. 


Beste Bonne,

Ik ben van Rotterdam gaan houden. Als jongen uit een Zuid-Hollands dorp voel ik mij steeds meer thuis in de veelzijdigheid van Rotterdam. Echter, op één vlak weet de stad mij niet te bekoren. Ik hou van de fiets, hij biedt mij af en toe een uitgang voor de stedelijke hectiek van Rotterdam-West. Alleen, de liefde voor Rotterdam en de liefde voor de fiets laten zich moeilijk combineren. Rotterdam is geen fietsstad.

In het dorp waar ik opgroeide kon ik op de fiets stappen en had ik bij het uitrijden van de straat keus te over. Links over de brug richting Noordwijk en de duinen, rechts richting Leiden en het groene hart. Hoe anders is dat in Rotterdam waar iedereen zich bij de eerste zonnestraal op de paar groenstroken in het Midden-Delfland of dat ene kronkelende dijkweggetje langs de Rotte stort. Armoe troef voor wie de wijdsheid van de polder kent.

Mijn buurt in Rotterdam heeft geen fietscultuur. Als ik met mijn felroze Giro d’Italia shirt naar de fietsenwinkel op de Eerste Middelandsstraat jakker, voel ik mij als een inboorling uit Papoea Nieuw-Guinea op Times Square. Uit FC Barcelona trainingspakken en opgevoerde Volkswagen Polo’s komen afkeurende blikken. Er mag geen twijfel over bestaan, dit is het terroritorium van de stedeling. De ronkende uitlaat op het moment dat ik in hun ogen iets te traag het zebrapad oversteek is hun blijk van afkeuring. Het moge duidelijk zijn: fietsen is voor provincialen.

Rotterdam is niet gemaakt voor de fiets. In Leiden, Amsterdam of Utrecht kun je filerijden met medefietsers en moet je als voetganger soms banger zijn voor een oestrogeenkutje op een Van Moof-citybike dan een testosteronbom in een Volkswagen Polo. De fiets gedijt in de Oud-Hollandse binnenstad, waar de knusheid van de steeg je bewaakt voor de auto.

Rotterdam daarentegen is gebouwd op een Amerikaanse stedenbouwkundige filosofie. Willem Gerrit Witteveen begon al daags na het bombardement met zijn wederopbouwplan. Niet de claustrofobe, opgesloten binnensteden waren zijn voorbeeld, maar breed opgezette avenues. De Coolsingel, de Blaak en het Weena zijn de beste voorbeelden van snelwegen door de binnenstad naar goed Amerikaans voorbeeld.

Rotterdam is in veel opzichten nog steeds de meest autovriendelijke stad van Nederland. De automobilist die  van Ahoy naar Blijdorp rijdt,  wordt gevoerd door een continue vierbaansweg, slechts gehinderd door een sporadisch stoplicht. Probeer daarentegen eens ongehinderd de hele Nieuwe Binnenweg of Zaagmolenstraat af te fietsen; ik beschouw dat als een grotere prestatie dan Joop Zoetemelks tourwinst. Als je niet wordt geramd door een totaalmalloot met Formule-1 fantasieën, zijn het wel die verdomde tramrails die het tot een heuse overlevingstocht maken. Nee, zo’n fietstocht zou ik mijn schoonmoeder nog niet gunnen.

Wat Rotterdam ook tot een ontiegelijke schijtstad voor fietsers maakt, is de wind. De trotse skyline mag dan uitermate filmisch zijn, hij heeft één klein nadeel. De  hoogbouw stuurt de wind alle kanten op; als een ziedende stier in een arena. Aanvankelijk dacht ik dat dit een denkbeeldig verschijnsel moest zijn en dat ik niet zo moest zeiken als ik over het Weena fietste en geen centimeter vooruit kwam, maar mijn vermoedens werden wetenschappelijk gestaafd. Hoe sterk is de eenzame fietser die kromgebogen over zijn stuur tegen de wind zichzelf een weg baant, vroeg Boudewijn de Groot zich ooit af. Nou, niet zo sterk als hij tegen die vervloekte demonen op het Weena op moet boksen.

Ook tijdens de start van de Tour in 2010 bleek Rotterdam geen erg geschikte fietsstad. Waar renners normaliter door een idyllisch Normandisch kustplaatsje worden geleid, mochten ze nu langs de Brielse- en Dordtselaan om te eindigen op het Zuidplein. Zowel het parcours als het decor hadden niet onaangenamer konden zijn voor de fietser. Langs de route zijn nu ter herinnering aan deze Grand Départ op de fietspaden icoontjes van de Tour geprint. Ik vind het dolkomisch.

Stel je eens voor dat je als verdwaalde toerist in de Tarwewijk zo’n icoontje aanschouwt. Ik zou me bescheuren van het lachen bij de gedachte dat in deze urban jungle van de automobiel ooit Lance Armstrong en Alberto Contador zijn gepasseerd. Plattelandsjongens uit Pinto in Spanje en Plano in Texas die het beste gedijen in afgelegen oorden, van polderweggetjes tot imponerende bergcols, gehuld in strakke fietsbroeken, niet in urban baggy-jeans.

Hoe hip de fiets en Rotterdam momenteel ook zijn, ik zie daar geen causaal verband tussen. Rotterdam blijft in mijn ogen de veramerikanisering van de Nederlandse stedenbouw. Een fantastische stad voor wie het Hollandse water en het Hollandse licht wil zien in een Amerikaans decor. Maar een gruwel voor iedereen die dat andere typische Hollandse een warm hart toedraagt; de fiets.

Ik draag de Ronde van Katendrecht een warm hart toe. Het is hetzelfde warme hart dat ik de inboorling uit Papoea Nieuw-Guinea op Times Square toedraag. Ik weet hoe zwaar jullie het hebben als fietsliefhebbers in deze Urban Jungle. Laten we 21 mei een biertje drinken op de mooiste rotstad die er is.

Proost!
Bart Toorenaar


BartToorenaarBart Toorenaar is geboren in 1989 en woont sinds 2014 in Rotterdam. Doordeweeks werkt hij voor Coolblue en in zijn vrije tijd schrijft hij blogs over van alles en onderneemt hij lange fietsreizen naar Barcelona, Ethiopie of Schipluiden. Voordat hij naar Rotterdam kwam, woonde hij in andere wereldsteden als Antwerpen, Madrid en Khartoem.