Ton Griep: Vol door, bocht na bocht na bocht

05-02-2016

Je hebt klimmers, sprinters en tijdrijders; er zijn kopmannen, knechten en wegkapiteins; allrounders, klassiekerkoningen en baroeudeurs. Van vroeger kennen we de tenoren achter grote motoren, en tegenwoordig zelfs de leadoutman. Maar van alle tijden is: de criteriumspecialist, niet te verwarren met de kermiskoerscoureur. Hij is de keizer van de criteriums, de veertig tot vijftig rondjes van maximaal twee kilometer met zo’n kleine honderd man aan het vertrek. Bocht in, bocht uit, finish op een van de weinige rechte stukken weg, premies bij de bel.

Ruim veertig jaar was de naam van Ton Griep (1955) niet weg te branden van de regionale criteriums in en rond Rotterdam. Hij heeft alle categorieën doorlopen, van aspiranten tot en met sportklasse, was onderweg zelfs twee jaar professional – bij HB Alarmsystemen. Maar dat had hij gauw gezien. “Financieel misschien fout, maar fysiek en medisch niet verkeerd, hoop ik. Als je ziet wie er van mijn lichting al zijn overleden… Het blijft vreemd hoor, dat je als sportman voor je veertigste doodgaat.”

Hij kan er een of twee naast zitten, maar Ton Griep heeft in zijn totale carrière zo’n 2000 wedstrijden gereden, waarvan misschien wel 1800 criteriums. En de microfonist kon aan het eind van wéér zo’n rondje precies 200 keer roepen: “De winnaar is vandaag… Ton Griep!”

HET GEVOEL

“Je moet er gevoel voor hebben. Het zijn voortdurend heftige momenten, tussensprints. Niet vanuit de start proberen weg te rijden en denken dat je het helemaal in je eentje af kunt. Je hebt je concurrenten nodig. Je zoekt een paar gelijkgestemde jongens op en maakt een slaggie. Je moet eerst wachten tot het een beetje uit mekaar is gereden. Dan spreek je bijvoorbeeld af: bij de derde premiesprint gaan we vol door, een paar ronden achter mekaar op het scherpst van de snede, vol door de bochten met alle risico’s van dien. Als het dan in het peloton opstroopt, en er wordt geaarzeld, heb je met een paar man gauw twintig seconden. En dat is in een criterium een heleboel. Een of twee man mee in de slag is vaak al genoeg. Al kan het soms duren tot je definitief weg bent. Als iemand niet wil rijden, dan stokt het en dan moet je wachten op een volgende ontsnapping. Maar als je met elkaar goed overeen komt, ben je weg en maak je het uit.”

DE CONDITIE

“Criteriums rijden is puur interval. De grens van een criterium ligt op twee, tweeëneenhalf uur koers. Maar je moet altijd zorgen dat je wat over hebt. Criteriums rijden – dat is vooral aanzetten, explosief zijn. Je moet eigenlijk een paar lange sprints kunnen maken. Een sprinter zal altijd een goed criterium kunnen rijden. Die kan goed sturen, die is wat zwaarder, die kan aanzetten van 40 naar 45 km/u, in één twee seconden. Toen ik ouder werd en wat zwaarder, duurde het drie seconden. Dan kon ik wel terug aan dat wiel komen, maar dan kwam er wéér een bocht. Op het laatst ontplofte ik. Nou, dan is het tijd met koersen te stoppen.”

DE OMSTANDIGHEDEN

“Ik heb de criteriums altijd als een sociaal gebeuren gezien. Je koerste met de hele familie. Mijn ouders gingen vaak mee. Die waren ook nog bij mijn laatste koersen. Fijn als er iemand langs de kant staat met een koud bidonnetje of een nat washandje, met een nieuw wiel of een andere fiets. Ik heb ook veel kennissen overgehouden aan de criteriums. Vroeger ging je altijd een huissie zoeken, om je te verkleden. Ik krijg nog steeds kerstkaarten van een familie uit Honselersdijk; daar heb ik vaak op de stoep gestaan, eerst alleen, toen met m’n meissie, met mijn vrouw, en op ‘t laatst met mijn kinderen.”

HET MATERIAAL

“Een criteriumfiets is anders dan een fiets voor de klassiekers of de grote ronden. Die carbonfietsen zijn wel mooi om een berg mee op te rijden, maar voor die stuiterrondjes is het twee keer niks. Hoge wielen, hoge velgen – allemaal prachtig, maar díe wielen willen alleen maar rechtdoor, en jij moet de bocht om, en nóg een bocht, en nóg een. Je moet gewoon een hele lichte lage velg hebben en een wat hogere band.  Je hebt niks aan een fiets die stijf is. Ik heb altijd gezworen bij stalen frames, stalen buizen. Columbus, Reynolds of fietsen die speciaal voor mij werden gemaakt bij Van Herwerden.  Dat waren fietsen waar ik vol mee door de bochten kon, zonder te remmen.”

HET PARKOERS

“Je had in de jaren zeventig overal wielerrondjes. Wel een stuk of veertig in de regio Rotterdam; en ook nog eens een hele zooi in het Westland. Allemaal verschillende parkoersen. Ik was geen asfaltcoureur, ik hield meer van stenen. Op Katendrecht hadden ze nog keien, geloof  ik; al heb ik daar nooit gewonnen en de Cirkel van Zuid rond Ahoy’ weer wel, op asfalt. Maar op die steentjes, goh, daar kon ik ze eraf rijden. Dan versnelde  ik voor een bocht, gooide ik mijn fiets erin, en was ik zo uit zicht.”

ALLEEN VOORUIT

“Ik heb zelden een echte massasprint gewonnen. Ja, in de regen als eerste door de laatste bocht en dan niemand er meer overheen laten. Maar ik hield niet zo van ertussen zitten en eruit komen. Ik won mijn meeste koersen door kort voor het einde weg te springen uit de kopgroep. Een halve kilometer voor de streep, vol door een bocht en maar hopen dat ze achter me aarzelden.”

Prof1979a